woensdag 3 maart 2010

Geschiedenis in vogelvlucht (deel 1)

Wie Eben-Emael hoort, denkt doorgaans meteen aan de Tweede Wereldoorlog en aan Fort Eben-Emael dat de Duitsers indertijd zonder al teveel weerstand konden veroveren. En er is uiteraard de glooiende schoonheid van deze Jekervallei/La Vallée du Geer, voor wandelaars en fietsers, langs dorpjes, weilanden en een meanderend riviertje.

In ons initiatief om de jachtwetgeving veranderd te krijgen en eindelijk eens recht voor (beschermde) diersoorten die door stroppen, vergif of hagel sterven, hoor ik een enkele keer dat we voorzichtig moeten zijn, als Nederlanders. Wij Nederlanders moeten namelijk niet denken dat we het Waalse land naar onze smaak kunnen inrichten. Niet dat dit onze bedoeling is, overigens!

Misschien doet een Nederlander in deze grensstreek eerder zijn mond open bij besef van onrechtvaardigheid, waar een Waal sneller in het lot berust en zich onderwerpt aan heersende en onuitgesproken opvattingen. Zo spreek ik genoeg Walen die onze acties ondersteunen, maar zelf nooit het initiatief hadden genomen omdat ze zichzelf simpelweg niet competent genoeg achten. Valse bescheidenheid? Een onterecht gevoel van minderwaardigheid ten opzichte van hen die gestudeerd hebben en zo de wet tot hun voordeel kunnen toepassen? Want dat heerst hier nog wel, vooral bij oudere generaties. Ontzag en angst voor monsieur le juge en monsieur le notaire.

Opkomen voor zwakkeren in de samenleving is eigenlijk een plicht van hen die sterker zijn. Maakt niet uit of dat door ervaring dan wel karakter of sociale omstandigheden zo geconcludeerd kan worden. Maar wie zelf geen stem heeft, verdient de hulp van een ander. Zo doen we dit niet alleen voor de dieren in Eben Emael en elders in Wallonië of België, maar ook namens Walen en bewoners van Eben Emael die zich onderhuids al jaren verzetten. En kwaad maken.

En over Nederlander of Waal en Belg zijn... vooral in deze grensstreek is nationaliteit eigenlijk niet aan de orde. Toen ik hier kwam wonen, maakte ik al snel kennis met vooral veel oudere bewoners. Hun verhalen over vroeger schetsen een ander beeld van Eben Emael dan alleen maar Duitsers en de Tweede Wereldoorlog, een gegeven dat op internet lijkt te domineren.

Veel bewoners (of hun ouders en grootouders) trokken in de jeugd naar Maastricht om er te werken bij Regout-Sphinx, de Société Céramique of Maastrichtse hoedenateliers. Men ging lopen, of met de fiets en in latere jaren gezamenlijk met een busje. De hoedenmakerij is voor Eben Emael toch ook belangrijk geweest, zo vertelt men. De grootouders van een buurvrouw werkten tijdens de hoogseizoenen in Parijs als hoedencouturiers, om thuis in Eben Emael te overwinteren. In het dorp Eben woont iemand die een foto heeft van Maurice Chevalier, de bekende zanger-acteur en entertainer die vooral door zijn hoeden opviel. Op die foto draagt hij een hoed die gemaakt is door iemand van Eben Emael.

De Waalse mensen die ik hier heb leren kennen, staan absoluut niet vijandig tegenover hen die Nederlander zijn, zelfs niet nu er breeduit wordt geprotesteerd tegen wat zij al jarenlang slikken. Sommigen waarschuwen uit angst of bezorgdheid, maar anderen vinden dat het de hoogste tijd is. We leven in een andere wereld. De strop is gewoon te barbaars voor woorden.

Tenslotte nog wat ludieks over een bekende Belg en francophone die zijn wortels in deze grensstreek Riemst-Bassenge heeft: Georges Simenon.

Simenon heeft langs moederskant nog banden met Limburg. Zo heeft hij een aantal dagen in een huis in Elen gelogeerd, wat hem geïnspireerd heeft tot de roman "la maison du canal" ("het huis aan het kanaal"). In dit boek situeert hij het huis foutief in Neeroeteren (het ligt wel vlakbij de gemeentegrens).

Dat zijn voorouders langs vaderszijde tevens lang in de streek van het Belgisch Limburgse Riemst (voornamelijk hier in de dorpen Riemst, Herderen, Vlijtingen en Lafelt) hebben gewoond was tevens voor hem een verrassing. In Riemst leefden de Simenon’s geconcentreerd in Vlijtingen, waar ze 200 jaar lang Nederlands spraken, Vlaamse namen droegen en trouwden met plaatselijke meisjes. In een van zijn honderden romans vermeldt Georges Simenon wel dat zijn familie voor haar vestiging in Luik afkomstig was van Vlijtingen maar volgens hem was zijn verste voorvader hier een Franse soldaat uit Bretagne of Normandie, die tijdens krijgsverrichtingen in de Napoleonse periode zijn hart zou verloren hebben aan een Vlijtingse schone. Dit blijkt evenwel niet kloppen. Omstreeks 1875 emigreerden zijn grootvader Christiaan (in Luik verfranste Christiaan zijn naam in Chrétien; geboren in 1841 te Vlijtingen), samen met zijn broer Lambertus naar het Luikse.

Onder impuls van zijn vrouw Marie Catherine Moors (tevens geboren in Vlijtingen) werkt Chrétien zich in enkele jaren tijd op van ongeletterde dagloner tot gebrevetteerd hoedenmaker, een handelaar met enig aanzien in Outre-Meuse. De Luiks-Limburgse afstammingshaard van de Simenon’s bevindt zich in een regio welk zich uitstrekt van de stad Luik en zo verder in noordelijke richting, over Herstal en Rocourt, de Jekervallei tussen Glons en Eben-Emael, tot in de Limburgse streek met de driehoek van de dorpen Riemst-Herderen-Vlijtingen.
(bron: wikipedia)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Sponsors, donateurs

Jan Paul Schutten, Daniël van Laeken, Carlo-Toby-Marilene, Mireille Andre, David Conlin (CABS & PROACT), Ingrid Gerlo, Centaure de Véga, Marjo Stieners, Andrée Thonnon.